Tijdperk


Beweging van de continenten over de aardbol (Recent tot 750 miljoen jaar geleden)

Klik hier voor een animatie.


(Copyright: Scotese, C.R., 2014. Animation: Paleogeography (750Ma - Present-day), PALEOMAP Project, Evanston, IL.)


This animation produced by C.R. Scotese, PALEOMAP Project shows the changing distribution of deep ocean(blue), shallow seas (light blue), land (tan) & mountains (brown) during the last 750 million years.



Klik met de rechter muisknop op de gele balken en kies Openen om meer te weten te komen over de ligging van de continenten in die tijd



Vroeger dacht men dat het leven in het Cambrium begonnen zou zijn maar tegenwoordig weet men dat leven al veel eerder op de aarde aanwezig was. Het was vaak minder ontwikkeld leven zoals algen die in matten op de stenen lagen en zo ook versteend zijn. Ook eencelligen en bacteriën zullen geleefd hebben - ze hebben de methaan atmosfeer met zuurstof gevuld. Methaan is giftig voor ons. Zoek op het internet maar verder als je in de vroegste perioden geinteresseerd bent.


Met het begin van het Cambrium komen veel nieuwe levensvormen op de aarde. Het museum heeft uit het Cambrium een steen met wormgangen uit de Andes in Peru en er zijn ook trilobieten (vaak zonder ogen; die ontstaan pas in latere tijdperken).


Het Cambrium werd afgesloten met een ijstijd.


Hieronder staan een aantal kleine foto's uit de collectie van trilobieten uit het Cambrium (klik op de foto's voor een vergroting).

Ellipsocephalus hoffi (trilobieten)
Elrathia kingii (trilobiet)
Cambropallas telesto (trilobiet)

In het Ordovicium wordt het aantal soorten families meer dan verdubbeld in vergelijking met het Cambrium.

Asaphus en Eldredgeops (Phacops) (trilobieten)

Klik op de foto's voor een vergroting

Piloceras (koppotigen)
Orthoceras regulare (koppotigen)


Omdat het Siluur een heel oud tijdperk is, zou je denken dat er in Nederland geen Siluur te vinden zou zijn. De lagen van het Nederlandse Siluur liggen heel diep in de bodem en komen niet aan de oppervlakte.


Toch komen Siluurfossielen in Nederland voor.


Tijdens de laatste grote ijstijd was het noorden van de aardbol bedekt met dikke lagen ijs en vormde gletsjers. Deze gletsjers braken brokken steen af van de Siluurlagen van Scandinavië (Noorwegen, Zweden, Finland, Oostzee, noordwest-Rusland) waar het Siluur wel aan de oppervlakte ligt. In die brokken steen zaten dus wel Siluurfossielen. De gletsjers vervoerden de stenen naar het zuiden en dus ook naar Nederland. Toen  het ijs aan het einde van die ijstijd smolt, zakten de stenen naar beneden en werden ook in het noorden en midden van Nederland neergelegd. Een deel van de vervoerde stenen was tot klei vermalen door het ijs en die klei vindt je rondom de stenen - dat heet keileem. De stenen met fossielen vinden we vaak op de akkers van de boeren - die vinden deze stenen niet zo leuk omdat de machines er kapot van gaan. Ze leggen ze meestal aan de rand van de akkers zodat ze er geen last van hebben.


Denk er om: als je langs de randen van een akker wilt zoeken moet je eerst de boer opzoeken van wie de akker is en moet je hem vragen of dat mag. Je mag zeker niet zo maar op een ingezaaide of bewerkte akker lopen! Het najaar is daarvoor een goede tijd - als de oogst van de akker is.


In Nederland hoef je geen toestemming te vragen of je de gevonden fossielen mee naar huis mag nemen. Dat is in andere landen vaak wel het geval - voorbeelden zijn Turkije en Egypte. De boetes in die landen zijn erg hoog!


Veel van mijn zwerfstenen (zo noem je die) komen ook uit bouwputten van gebouwen en huizen. Ook hier geldt dat je eerst toestemming moet vragen. Let ook op de veiligheid van jezelf en van anderen. Handschoenen en een bouwhelm beschermen je tegen rollende stenen - de gletsjers hebben de stenen vaak rolrond geslepen. Verzamel in de bouwput en bekijk de stenen thuis waar je stromend water hebt. Een hamer is totaal overbodig!


Ben je op vakantie in de noordelijke landen, let dan op fossielen in rotsen. Per slot van rekening komen onze zwerfstenen daar vandaan.


Nog een opmerking: Vaak zijn de fossielen in zwerfstenen brokjes en stukjes van de originele fossielen - zoals bij trilobieten. Soms heb je het geluk een compleet staartschildje of kopschildje van een trilobiet te vinden maar meestal zijn het kleine stukjes die vaak niet te determineren zijn. In het museum in Tollebeek zie je wel complete trilobieten maar die komen uit andere landen waar ze door mij gevonden, gekocht of geruild zijn. Je probeert natuurlijk fossielen zelf te vinden maar soms is dat onmogelijk. Een mogelijkheid is ook vrienden maken in een fossielengebied die voor je uitkijken. Dat heb ik zelf ook gedaan!


Siluur is het tijdperk van de brachiopoden; ze komen tot grote bloei en je vind ze dus ook vrij veel in de zwerfstenen. Zoals gezegd kun je ook trilobieten vinden en schijfjes en steeltjes van zeelelies. Een veel voorkomende soort zeelelie is Crotalocrinus rugosus met grote witte schijven van soms wel 1,5 centimeter doorsnede.

Koralen komen in zeer veel zwerfstenen voor - in het museum is een hele tafel gereserveerd voor een groot aantal soorten. Mosdiertjes en ostracoden zijn ook niet zeldzaam - een veel voorkomend mosdiertje (bryozo) is Ptilodyctia lanceolata; ostracoden zijn vaak Leperditia. Aan sponzen is  ook geen gebrek - ze heten stromatoporen. Een andere soort fossielen komt ook veel voor: de orthoceren (inktvissen met een rechte schelp).


Hieronder staan een aantal kleine foto's van bovenstaande soorten uit de collectie (klik op de foto's voor een vergroting).

Syringopora bifurcata (koraal)
Asaphus (trilobiet - deel kopschild)
Orthoceras regulare (orthoceren-inktvissen)
Ptilodyctia lanceolata (kolonie mosdiertjes)
Scyphocrinitus elegans (zeelelie)
Stromatopora concentrica (spons)
Rhynchonella nucula (brachiopode)
Leperditia baltica (ostracode)

Ook het Devoon is in Nederland te vinden in zwerfstenen die vaak uit Scandinavië, Duitsland, België en Frankrijk stammen. De zwerfstenen uit het Devoon zul je weliswaar veel minder vaak vinden dan de silurische zwerfstenen (kijk bij Siluur) maar ze zijn er wel. Uit Duitsland met de Rijn en soms uit Frankrijk en België (met de Maas) komen in Nederland Devoonfossielen voor. Een redelijk dichtbij gebied met veel Devoonfossielen vindt je in de Eifel en Sauerland in Duitsland.


Het Devoon is het tijdperk van de vissen. Dat zijn dan nog niet de vissen zoals wij ze nu kennen, maar primitieve haaien en pantservissen zijn in opmars. Een hele vis zul je hoogstwaarschijnlijk nooit vinden maar wel brokstukjes zoals delen van rugstekels. Pantservissen waren er ook al in het Boven-Siluur; je kunt met de microscoop brokstukjes van schubben en stekels van Gomphodes en Onchus ontdekken in de silurische kalkstenen.


Haaien zijn wel in opmars maar zijn nog erg primitief en missen nog de karakteristieke haaienbek; ze lijken meer op gestroomlijnde normale vissen. De haaien zullen zich vanaf het Devoon verder ontwikkelen tot ze stukje bij beetje gaan lijken op de moderne haaien. Kijk maar bij <Haaien en roggen> in de collectie deze site; in de collectie bevinden zich o.a. twee tanden van primitieve haaien uit het Perm van Duitsland en de USA.





Over vissen gesproken! De grootste pantservis die tot nu toe gevonden is in het Devoon was 9 meter lang; zijn naam is Dunkleosteus. Hiernaast

staat een foto van een replica uit het Naturhistorisches Museum Wien, Oostenrijk. Een pantservis heeft op het eerste deel van zijn lichaam geen

schubben maar beenplaten.


                                                                                     Copyright: Zachi Evenor (Wikipedia)


Er zijn natuurlijk nog veel meer soorten fossielen in het Devoon.

In het Boven-Devoon wordt ook al een deel van onze steenkool gevormd - de eerste bomen ontstonden in dit tijdperk.


Enkele Devoonfossielen uit de collectie 't Flintenhok, Tollebeek (klik op de foto's voor een vergroting):

Harpes (trilobiet)
Tentaculites
Spirifer (brachiopode)
Calceola sandalina (koraal)
Diplomystus dentatus (vis)
Drotops armatus (trilobiet)

Europa lag tijdens het Carboon op de evenaar op een hooggelegen plateau. Het klimaat in Nederland was toen tropisch en de plantengroei weelderig; ook al door de grote hoeveelheid zuurstof in de atmosfeer.


Het Carboon is de tijd waarin het grootste deel van onze steenkool werd gevormd door het vergaan van planten en bomen in een zuur moeras. Deze planten zijn niet verrot omdat er geen zuurstof bij kon, maar werden door geologische krachten samengeperst. Eerst tot bruinkool en later tot steenkool. Bruinkool kun je in Oost-Duitsland vinden waar ze gebruikt wordt voor productie van stroom en door reuzenbaggers wordt afgebouwd. De echte steenkoollagen strekken zich door heel Europa uit. Tussen de plantenlagen werden soms lagen van kolenkalk afgezet die we in de Carboon gesteenten als lenzen zien. De mooiste fossielen van steenkoolplanten vinden we op de bovenkant en onderkant van deze lenzen, dus in het oppervlak van de kalk.


In de collectie bevinden zich een groot aantal van deze fossielen. Ze komen vrijwel allemaal uit Europa en de landen ten oosten van ons zoals Duitsland (het overgrote deel), Polen, Oekraïne en Rusland. Een paar zaadvarens komen uit de USA.


Een redelijk aantal steenkoolplanten in mijn verzameling uit het Carboon tijdperk komt deels uit het gebied van de Preussag kolenmijn in Ibbenbüren (Steinhalde in Recke - nu een natuurgebied) en deels uit de groeve in de Piesberg bij Osnabrück waar je nog altijd kunt verzamelen. Ook uit de USA en Polen bevinden zich fraaie exemplaren in het museum.


In het Carboon waren de meeste planten vele malen groter dan tegenwoordig het geval is - Sigillaria (een wolfsklauwachtige) werd 30-40 meter hoog en was een boom! De recente wolfsklauwen zijn nauwelijks groter dan 15 cm.


Een foto van een recente wolfsklauw zie je linksonder.

Enkele kleine foto's van Carboonplanten uit het museum in Tollebeek (klik op de foto's voor een vergroting):

Pecopteris (varen)
Calamites kegels (reuzenpaardestaart)
Sigillaria (boom)
Annularia (bladrozetten)
Alethopteris met zaad (zaadvarens)
Lepidodendron
Orthacanthus haaientand
Xenacanthus haaientand

Klik op de foto's voor een vergroting

Branchiosaurus (amfibie)
Keichosaurus hui (reptiel)
Pleuromya musculoides (tweekleppige)
Tiates singular (versteend hout)

Klik op de foto's voor een vergroting

Araucaria (versteend hout)
Arietites bucklandi (ammoniet)
Acroceolites raui (belemniet)
Perisphinctes (ammoniet)
Trigonia triangularis (tweekleppige)
Exogyra (tweekleppige)
Pecten textorius (tweekleppige)

Klik op de foto's voor een vergroting

Sinosura kelheimense (slangester)
Saccocoma pectinata (vrijzwemmende zeelelie)
Goniopygus menardi (zee-egel)
Inoceramus (tweekleppige)
Trigonia interlaevigata (tweekleppige)
Carpopenaeus callisrostris (garnaal)
Pecten maximus (tweekleppige)
Prognathodon (mosasaurus) tand
Protocallionassa faujasi (kreeft)

Klik op de foto's voor een vergroting

Eosephaea frederici (slak)

Klik op de foto's voor een vergroting

Strepsidura turgida (slak)
Otodus obliquus (haai)
Campanile giganteum (slak)

Klik op de foto's voor een vergroting

Versteend hout Wyoming
Metasequoia occidentalis (loofboom)
Roggentanden Rossum
Nummulieten in fosforiet (eencelligen)

Klik op de foto's voor een vergroting

Hemipristis serra (haai)
Versteend hout


Tudicula rusticula (slak)
Carcharocles megalodon (haai)

Klik op de foto's voor een vergroting

Het Plioceen is het tijdperk dat voorafgaat aan het Pleistoceen en heeft 2,7 miljoen jaren geduurd.


Vergeleken met voorgaande perioden was het Plioceen een korte periode waarin de wereld veranderde in de wereld zoals we die nu kennen. Er kwamen ijskappen op de polen. Moderne zoogdieren verschenen en de evolutie van de prehistorische mensen begon.


Een dier dat in het Plioceen heeft geleefd was de Deinotherium, een olifantensoort met naar beneden gerichte slagtanden, dus precies andersom als de mammoet en onze tegenwoordige olifanten. Ze werden langzamerhand groter en groter en leefden in Afrika, Europa en Azië maar stierven uit lang voordat de rest van de reuzenzoogdieren van het Plioceen uitstierf. Ze konden zich waarschijnlijk niet aanpassen aan het koude klimaat van een ijstijd.


Dieren en planten waren in principe gelijk aan wat we dagelijks in onze wereld zien. Veel van onze dieren en planten zijn ontstaan in het Plioceen.  Er waren wat grotere dieren maar over het algemeen

leek het op onze moderne wereld. Ook de planten leken op de tegenwoordige planten. Er waren uitgestrekte graslanden die de bossen vervingen en daarom waren er ook veel grazers zoals koeien, schapen, antilopen en gazelles. Pliohippus, het eerste paardje met 1 teen ontstond in het Plioceen.


Gedurende het Plioceen trokken veel dieren over de landbruggen tussen de continenten zodat een uniforme fauna ontstond. Paarden kwamen van Amerika naar Europa en mastodonten trokken van Europa naar Amerika. Meer dan de helft van de diersoorten in Zuid-Amerika trok over de landbrug tussen Noord- en Zuid-Amerika naar het zuiden.



Omdat in Afrika de bossen ook vervangen waren door grasland met alleenstaande bomen, klommen de apen naar de grond om voedsel te zoeken. Ze gingen op de bodem wonen tussen allerlei andere dieren zoals olifanten en antilopen. De mensachtigen moesten leren om rechtop te lopen omdat dat hem een blik gunde over de vlakten waar roofdieren op hem loerden. Ook werden daardoor de handen vrij voor andere doeleinden dan er op te lopen. Hierdoor werd het maken van gereedschappen in de hand gewerkt. De eerste homoniden (mensachtigen) zijn gevonden in de valleien van Oostelijk-Afrika gedurende het vroege Plioceen. Dat is de plaats waar nu Somalie ligt. Zoals alle dieren ontwikkelden de mensachtigen verschillende evolutielijnen waaruit verschillende hominiden en later mensen ontstonden.


{uit Wikipedia} Australopithecus afarensis is een dergelijke uitgestorven mensachtige uit het Plioceen van Oost-Afrika. Het is een van de oudste bekende mensachtigen. Australopithecus afarensis was een kleine mensachtige, ongeveer 120 centimeter lang en ongeveer zevenentwintig kilogram zwaar. A. afarensis had grote wenkbrauwbogen en smalle heupen. De grote teen is niet opponeerbaar. De herseninhoud is vergelijkbaar met die van een chimpansee, ongeveer 385 tot 400 cc.


Waarschijnlijk was het een groepsdier en liep de soort voornamelijk rechtop. Een studie op een middenvoetsbeen wees uit dat de soort waarschijnlijk vooral op de grond leefde. Beenderen met sporen van snijden die uit dezelfde periode en plaats komen, wijzen er mogelijk op dat de soort vlees op het menu had staan.


Fossielen van Australopithecus afarensis zijn gevonden in Ethiopië (Hadar, Aramis), Tanzania (Laetoli) en Kenia (Turkanameer, Omo, Koobi Fora, Lothagam). Lucy werd gevonden nabij Hadar. Dit gebied was toentertijd begroeid met savannen en open bossen afgewisseld met meren en riviertjes.


Afgezien van Australopithecus afarensis hebben nog meer soorten homoniden in het Plioceen geleefd en er worden nog steeds nieuwe fossielen ontdekt.



Homoniden zijn natuurlijk niet de enige fossielen uit het Plioceen! Er waren ook massa's "gewone" fossielen. In de collectie 't Flintenhok in Tollebeek tref je geen homoniden maar wel haaientanden, slakken, schelpen en botten uit het Plioceen aan. Een paar foto's zie je hieronder afgebeeld; de meest rechtse foto is een kies van een Plioceen paard (Hipparion gracilis) uit Spanje.


Van de Pliocene schelpen en slakken uit het Plioceen voor de Nederlandse kust vindt je in het museum een vrij complete collectie die ik verzameld heb in 1958 uit opgezogen zand van de Westerschelde bij Ellewoudsdijk.

Ostrea plicatis (tweekleppige)

Klik op de foto's voor een vergroting

Petaloconchus intortus (tweekleppige)
Galeocerdo cuvier (haai)
Hipparion gracile (paard)

Het Pleistoceen is een tijdvak dat 2,6 miljoen jaar geleden begon en eindigde bij het einde van de laatste grote ijstijd, zo'n 12000 jaar geleden. Perioden van warmer klimaat wisselden zich af met koudere perioden waarin de gemiddelde temperatuur ongeveer 5 graden lager was dan de huidige temperatuur. Erg koud dus!


Grote landdieren hebben in deze periode geleefd, dat kun je in het museum ook wel zien aan de grote botten die uit de Noordzee gevist worden door bijvoorbeeld Urker vissers.


In het Pleistoceen was het deel van de Noordzee tussen Engeland en het vasteland van Europa drooggevallen. Dat gebied heette de Doggersbank en was ontstaan omdat de zeespiegel erg ver gedaald was. Dat kun je je ook wel voorstellen omdat een redelijk deel van het water als ijs opgeslagen lag in de gletsjers op het land.


Veel grote dieren leefden toen in dat gebied. Toen de zeespiegel weer begon te rijzen, liep de Noordzee weer vol en waren een deel van de dieren op de Doggersbank afgesloten van het land. Ze zijn toen verdronken en de botten van deze dieren werden door latere stromingen in de Noordzee op bepaalde plaatsen bijeen geveegd. Zo'n plaats is bijvoorbeeld de Brown Ridge (Bruine Bank).


In de collectie kun je fossiele botten van een aantal dieren uit het Pleistoceen en onder-Holoceen zien, waaronder botten en kiezen van de wolharige mammoet.


Ook de holenbeer is met een aantal botten en een hoektand vertegenwoordigd. Deze komen uit grotten in de Karpaten en uit een wetenschappelijke opgraving in Franken, Duitsland.


Hieronder zie je een ellepijp en een kies van een mammoet en een snijtand van een holenbeer. De collectie herbergt echter nog meer fossiele botten van andere zoogdieren zoals bison, oerpaard, rendier, hert, walvis, dolfijn en oeros.

Mammoet - Mammuthus primigenius ellepijp (zoogdier)

Klik op de foto's voor een vergroting

Mammoet - Mammuthus primigenius kies (zoogdier)
Ursus spelaeus (holenbeer) tand (zoogdier)